Kempo algemeen

Kem-po betekent letterlijk ‘de weg of kunst van de lege vuist’. Munks2
Met zekerheid kan gezegd worden dat deze verdedigingsvorm haar oorsprong vindt in China. Veel van wat er via mondelinge overlevering over de Chinese vechtsystemen is verteld, is in de loop der eeuwen verminkt, overdreven of uit het verband gerukt. In ieder geval is het grootste deel van de overlevering niet meer te verifiëren.

Aangenomen wordt dat de oorsprong van het Cinees boksen terug gaat tot ± 1200 v. Chr.
Van literatuur uit die tijd weten we dat een ‘rituele’ sport was die door boeren bedreven werd,
genaamd Huang-Ti of Go-Ti naar de gelijknamige legendarische Gele Keizer, die volgens de legende
een gevecht aan moest gaan met een monster (Chih-Yu) dat vlijmscherpe horens had.
De deelnemers aan deze rituele sport waren getooid met horens en probeerden elkaar
met kopstoten buiten gevecht te stellen. Naar het schijnt heeft deze Huang-Ti/Go-Ti vorm zich
bij het gewone volk ontwikkeld tot een meer systematische gevechtsvorm en is vanuit China o.a.
overgebracht naar het Japanse eiland Okinawa. Hier werd de gevechtsvorm Okinawa-te genoemd,
en later nadat de vorm zich over geheel Japan had verspreid Kara-te.

Vermaakte het gewone volk zich met rituele dans en gevechtsvormen, de edelen in het oude China kenden
wel degelijk gesystematiseerde gevechts- en verdedigingsvormen, zoals boogschieten, zwaardvechten,
worstelen en vuistvechten (boksen). Al deze op de oorlog gerichte vormen werden aangeduid als
WU-SHU, hetgeen letterlijk krijgskunst betekent.

Het vuistvechten was dus bij de edelen en militairen slechts een onderdeel van hun krijgskunst programma. Het vuistvechten of (Chinees) boksen werd SHOU-PO genoemd. Wu-Shu of krijgskunst was voor het gewone volk verboden dus Shou-po als onderdeel ervan eveneens. Waarschijnlijk is het juist dit verbod geweest dat een drijvende factor was achter het ontwikkelen van het vuistvechten in al haar vormen door de gewone mensen. Men moest zich immers toch kunnen verdedigen tegen al te arrogante edelen en militairen of tegen roversbenden. Bovendien was het vuistvechten als systeem verboden, een gewone man mocht al helemaal niet een wapen bezitten, laat staan hanteren.

Het gewone volk begon een systeem te ontwikkelen van arm- en beentechnieken zowel voor de verdediging als de aanval. Omdat zij nooit terug konden vallen op wapens leerden bepaalde getalenteerden vaak beter
met de ‘lege vuist’ te vechten dan menig militair met zijn wapens. Aangezien ‘vechten, weg of kunst’
letterlijk PO is in het Chinees en hand of vuist KEM, werd het begrip KEMPO een feit.

De Kempo beoefenaars waren erop uit hun vechtsystemen steeds verder te verbeteren.
Sommigen ontdekten dat dieren een aangeboren vecht talent hadden als het om het verdedigen
van hun territorium of jongen ging. Deze vroege Kempoka’s bestudeerden diverse dieren
in hun vechtgedrag: de tijger, het hert, de beer, de aap en de vogel.

De bewegingen van deze vijf dieren zijn nog altijd terug te vinden in vooral de uiterlijke vorm van het Kempo. Later toen het Kempo ook invloeden onderging van het Boeddhisme dat uit India kwam, kregen de vier elementen aarde, water, vuur en wind (lucht) een rol als de innerlijke kant van de sport
het zgn. Chi. (Ch’i = ademenergie)